Accueil - deR. - thés.
afmeren (v.)
aiguilleter (rare;V+comp), amarrer (V+comp)
↗ tros
aanhechten;bevestigen;knopen;samenknopen;vastbinden;vasthechten;vastknopen;vastmaken;vaststrikken;vastzetten;verbinden — rendre solidaire au moyen d'une attache [Classe]
aanmeren;afmeren;sjorren;vastmeren;vastsjorren — fixer un navire avec des amarres [ClasseHyper.]
aanmeren, afmeren, sjorren, vastmeren, vastsjorren — aiguilleter, amarrer
aanleggen, aanmeren, afmeren, meren — amarrer