user (v.) (V+de+comp)
user (v.) (V+comp)
afbeulen, afdragen, afjakkeren, aflopen, afmatten, afpeigeren, afslijten, afsloven, aftobben, inlopen, inslijten, slijten, uitslijten, vermoeien, verslijten
usé (adj.)
↘ mesquinement, pauvrement ↗ user
usé (adj.)
faible (chose) [Classe]
qui a subi une usure [Classe]
usé (adj.)
habituel — gebruikelijk [Classe]
banal, sans originalité (pour un style) [DomainJugement]
usé (adj.)
user (v. tr.)
V+comp
fatiguer quelqu'un — vermoeien [ClasseHyper.]
abîmer par usure — afdragen;aflopen;afslijten;slijten;verslijten [ClasseHyper.]
user (v. tr.)
V+de+comp